Iemand had twee zoons, die samen zouden erven
wat hij bezat. Op zekere dag zei de jongste zoon tegen zijn vader: “Vader ,
geef mij het deel uit ons vermogen, dat mij toekomt. Toen verdeelde vader het
bezit onder hen.
Een paar dagen later pakte de jongste zoon
alles, wat nu van hem was en ging op reis naar een vreemd land. Daar leefde hij
er op los, tot hij al zijn geld had uitgegeven.
Toen hij niets meer had , brak er een
hongersnood uit over het land, waar hij leefde. Al gauw had hij niets meer te
eten en hij begon gebrek te lijden. Hij ging op pad om ergens aan de kost te
komen en hij vond onderdak bij een boer, die hem het veld in stuurde om op de
varkens te passen. Hij had zo’n honger, dat hij heel graag zijn maag gevuld had
met de schillen, die de zwijnen kregen. maar niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot bezinning en zei bij
zichzelf: Alle arbeiders die voor mijn vader werken , hebben eten in overvloed,
en ik sterf hier van de honger! Ik ga hier weg, teug naar mijn vader. En ik zal
hem zeggen: “Vader , mijn schuld tegenover u is groot, en ik heb gezondigd
tegen God. Ik heb er geen recht meer op om uw zoon genoemd te worden. Maar laat
me als dagloner bij u werken! En hij ging op weg naar zijn vader.
Toen hij nog een heel eind van het huis van
zijn vader af was, zag zijn vader hem al in de verte. Een schok ging door de
man heen, hij liep zijn zoon tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem. Maar
de zoon zei: “Vader, ik heb me grof misdragen tegen over u en God. Ik ben niet
waard , dat u me nog als zoon behandelt. Laat me als dagloner bij u werken.
Maar de vader riep zijn knechten en zei tegen
hen: “Haast je! Breng de mooiste kleren , die ik in huis heb, en trek ze hem
aan! Schuif een ring aan zijn vinger en geef hem een paar schoenen! Breng
daarna het kalf, dat we gemest hebben, en slacht dat. We zullen eten en vrolijk
zijn. Want mijn zoon was dood, en nu leeft hij weer - hij was zoek, en nu is
hij er weer! Ze begonnen feest te vieren en ze vermaakten zich best.