De wonderbare broodspijziging

Verteller: Toen zijn vriend Johannes De Doper gestorven was, was Jezus erg verdrietig. Hij stapt in een bootje en vaart naar de andere kant van het meer van Genesareth, om alleen te zijn.

(Inmiddels is over de zetel een doek gehangen. De priester gaat daar op zitten. Half achter en naast hem staan enkele kinderen recht. Zij spelen leerling en gebruiken de micro van de priester.)

Hij was daar niet lang of er kwamen van overal mensen naar Hem. Ze waren Hem gevolgd langs de oever van het meer. Het werden er steeds meer: wel met 5000 waren ze. Ze wilden horen wat Jezus vertelde.

kinderen komen rond de priester zitten, de eersten op de grond, de achterste rij zet zich wat verder, sommige op een bank. Dat zijn aan de ene zijde de kinderen die mens spelen, aan de andere kant de kinderen die kind, jongen, meisje spelen. Aan beide zijden ligt een micro. De leerkrachten komen zo tussen de kinderen zitten dat zij de micro kunnen bedienen. De groepjes kinderen spreken zonder micro.)

Priester: Vrienden, het mag niet zo zijn dat iemand de baas speelt over iemand anders. Het Rijk van mijn Vader is een Rijk van liefde. Het mag niet zijn dat de ene mens te veel heeft en de andere mens dood gat van de honger. Mensen die veel geld hebben zijn daarom niet beter dan de armen. En vooral, jullie mogen niemand uitsluiten.

Verteller: En ze klapten in de handen.
(Doen)

Jezus vertelde nog heel lang over het Rijk van zijn Vader en over een betere wereld. Toen zei één van de kinderen plots.

Kind:                         Papa, het wordt al donker en we hebben helemaal geen brood                                         meegebracht!

Verteller:       Och, zeg mij daar wat! Heel veel mensen krijgen zo stilaan grote        honger, want ze zijn te ver van huis om eten te halen. Enkele leerlingen hebben het gehoord en praten met Jezus erover.

(Rechtstaande kinderen - leerlingen - draaien zich naar de priester toe.)

Leerling 1:    Jezus, wij moeten de mensen naar huis sturen.

Leerling 2:    Ze kunnen toch niet zomaar in het veld blijven slapen.

Leerling 3:    En ze hebben helemaal niets om te eten.

Verteller:       De mensen die wél eten bij hebben laten dat niet zien en praten stilletjes met elkaar:

Mens 1:         Ik heb gelukkig enkele koeken, maar die houd ik voor mij.

Mens 2:         En mijn appelen deel ik met niemand!

Mens 3:         Mijn boterhammen delen? Ik denk er niet aan. En zelf van honger sterven, zeker?

Mens 4:         Ik ben niet gek. Iedereen moet maar voor zichzelf zorgen.

Mens 5:         En God voor ons allen.

Verteller:       Jezus hoort dit allemaal en maakt zich er zorgen om. Dan laat Hij alle mensen samen in groepjes zitten en spreekt met zijn leerlingen.

Priester:        Geven jullie deze mensen maar te eten.

Leerling 1:    Maar wij hebben niets.

Verteller:       Toen stonden er een jongen en een meisje recht. Luister maar wat ze zeggen.

Jongen:        Jezus, ik heb enkele broodjes bij.

Meisje:          En ik heb een paar vissen bij.

Priester:        Breng het eten dat er is, breng het brood en breng de vis, want al zijn we hier met velen, eerlijk zullen wij alles delen.
(Terwijl leerling 2 en 3 een mand komen de kinderen naar de priester en geven hem het brood en de vissen . De priester neemt ze aan, spreekt volgende zin en legt hen dan in de twee manden.)

Priester:        God, onze Vader, laat uw koninkrijk komen, laat gebeuren wat U wilt, geef ons elke dag ons brood. Amen.
(De twee leerlingen stappen rond en gebaren het uitdelen van wat in hun mand ligt.)

Verteller:       De leerlingen deelden de broden uit en toen begon iedereen die iets te eten had uit te delen wat hij had. Niemand hield nog iets voor zichzelf. Luister maar wat ze roepen:

Een eerste groepje kinderen:     Ik heb nog boterhammen.

Een tweede groepje kinderen:   Ik heb wafels.

Een derde groepje kinderen:      Ik heb nog koeken.

Een vierde groepje kinderen:     En ik heb lekkere appels.

Verteller:       De mensen geloofden eerst niet wat ze zagen gebeuren en riepen allemaal:

Alle kinderen samen:       Dit is een wonder.

Verteller:       Dan zijn alle mensen Jezus dank u wel gaan zeggen, en zijn daarna naar huis gegaan. Zij hadden iets bijgeleerd: delen is prettiger dan alles voor zichzelf houden.
(Alle kinderen gaan nu stil naar op hun plaats. Jezus het laatst.)

LIED: DELEN DOET WONDEREN (( uit liedjes voor eerste communie en liturgie met kinderen.

(C.D. Een duim voor Jezus.lied 4) tekst en muziek: Fio en Griet Van Steelandt-Bogaert, Johan Van Daele,

strofe1:           Heb jij gehoord van het wonder, dat alles veranderen kan.

                        Soms is het zelfs heel eenvoudig, komaan ik vertel het je dan.

 

refrein:            Als we delen gebeurt er iets bijzonder,

want zie je, het is als een wonder.

                        Als we delen gebeurt er iets bijzonder,

dan is er voor iedereen genoeg.

 

strofe 2:          Weinig wordt veel als we delen en zo is het leven een feest.

                        Dat is wat Jezus ons leerde om altijd te doen in z’n geest

 

strofe 3:          Het ongelooflijke wonder,dat brood geeft aan ieder mens

                        doen wij toch allemaal samen, het is Jezus’ vurige wens.