Lezing (Gertjan)
Op een avond lag Gertjan in zijn bed te woelen.
Hij kon de slaap niet vinden.
Door het raam zag hij een sterretje schitteren aan de hemel.
GJ: Zeg sterretje, wat doe jij daar? Wat gebeurt daar nu?
ST: Ik ben het oog van God, dat naar de mensen kijkt en hun licht geeft als zij angstig vluchten.
GJ: Zeg sterretje, jij staat niet stil? Waarom?
ST: Omdat jij ook niet mag stilzitten. Jij moet mensen zoeken en met hen op stap gaan.
GJ: Maar oog van God, jij bent er toch! Moet ik dan mee op stap?
ST: Ja, want morgen komen er wolken en dan word jij mijn oog.
GJ: Ben jij er dan niet altijd?
ST: Jawel, maar ik heb jou nodig. Soms zien de mensen rondom jou het niet zitten. Zij vinden hun weg niet. Wees jij dan een sterretje, het oog van God. Dan wordt het minder donker voor de mensen om je heen.
Toen Gertjan wakker werd, keek hij door het raam. Het sterretje zat achter de wolken. De onderwijzer was verwonderd die dag omdat Gertjan in zijn agenda een sterretje geel kleurde. Gertjan bewaarde zijn droom als een klein geheim.