Priester: Wij kijken en luisteren nu naar de
eerste lezing gespeeld door de kinderen.
Verteller: Ergens in een mooi paleis woonde een
koning. Hij droeg prachtige kleren en iedereen die hem zag, zei: "Kijk
eens naar de kleren van de koning. Niemand gaat zo mooi gekleed als hij." Op
zekere dag wou de koning uit wandelen gaan . Hij riep zijn knechtje Klaas bij
zich.
Koning: Breng mijn mantel en mijn gouden kroon. Kom,
we trekken samen het veld in.
Verteller: Wat was het mooi weer buiten. Honderden
bloemen hadden hun hartje geopend om de zonnestralen binnen te laten. Ze
droegen kleedjes van prachtige kleuren. De koning keek er vol bewondering naar.
Hij trok zijn neus op en ...
Koning: Hé , wat ruikt hier zo lekker?
Bloempje: Ik ...ik ...ik!
Koning: Wie zijn jullie?
Bloempje: Wij zijn zonnebloemen !
Koning: Hoe komt het dat jullie zo lekker ruiken?
Bloempje: Dat komt door ons kleedje !
Verteller: De koning bekeek de kleedjes. Ze waren
prachtig, nog fijner dan stof van zijn eigen kleren.
Koning: Jij hebt vast de beste kleermaker die er is.
Bloempje: Dat weten wij niet. Wij hebben ons kleedje
al van toen we geboren zijn en het groeit met ons mee.
Verteller: En toen de koning nadenkend wou verder
gaan, floot een vogel op een tak van een boom!
Koning: Hé, vogeltje, je bent zo goed gezind!
Vogel: En of, ik heb mijn buikje rond gegeten.
Koning: Dan heb je vast een goeie kok !
Vogel: Welnee, wij
vogels, krijgen alles zomaar: zaadjes en piertjes en wormpjes!
Verteller: Van pure pret vloog hij met andere vogels
hoog de lucht in. De koning dacht na en zei :
Koning: Klaas, ken jij de kleermaker die voor de
bloemen zorgt en de kok die lekker eten bereidt voor de vogels ?
Klaas: Ik geloof dat ik het ergens in een boek
gelezen heb, ik zal het thuis eens opzoeken .
Verteller: Terwijl ze samen terug naar het paleis liepen, dachten ze na over wat er gebeurd was.