Het huis op de rots
(naar Matteüs 7, 24-27)

Eens gaf Jezus op een berg aan al zijn leerlingen een groot onderricht. Jezus had zijn leerlingen opgeroepen hun naaste zo graag te zien als zichzelf en om samen te werken. Toen vertelde Hij nog een verhaal over twee huizen.

Er was eens een man en hij ging een huis bouwen. Hij had een lapje grond gekregen. Op een dag zei hij : »Ik ga er aan beginnen. Hier is de grond heel hard. Maar hier niet. Wat moet ik doen ? » Juist op dat moment kwam er iemand voorbij. De voorbijganger zei : « ha, meneer gaat een huis bouwen ? Je moet bouwen op harde grond. Zal ik je nog eens goede raad geven ? Praat eens met de mensen die een huis hebben gebouwd ! En vooral niet vergeten : samenwerken, dat is belangrijk. Daag !

En toen de fundamenten er lagen, ja, toen wou hij ook wel met stenen gaan werken. Maar gelukkig, er kwam hulp. De metselaars kwamen er aan.:De metselaars vroegen : « Meneer, heb je geen werk voor ons ? Wij zijn metselaars en we kunnen er voor zorgen dat de stenen die jij op elkaar wil zetten stevig vast staan. » De man was heel blij en zei: « Metselaars, wat een geluk ! Willen jullie meehelpen ? Dit wordt een prachtig huis. »

En ze waren nog maar goed bezig, of de timmerlui kwamen eraan. Ze vroegen: ”Meneer, heb je geen werk voor ons? Wij zijn timmerlui en we kunnen een stevig dak maken dat zelfs bij de ergste storm niet weg waait.” De man was bereid om samen te werken en zei: ”Timmerlui wat een geluk! Willen jullie meehelpen? Dit wordt een prachtig huis.”

Toen het dak klaar was kwamen er juist enkele schilders langs gewandeld. Ook zij boden hun hulp aan en zeiden dat ze zijn huis van binnen en van buiten zouden verven in de kleuren die de man wilde.:Weer was de man bereid de schilders te laten helpen aan het bouwen van zijn prachtig huis.

Zo groeide het huis dag na dag. Op een mooie lentedag was het klaar. Toen kwam de buurvrouw en ze vroeg: ”Meneer, zal ik je ramen poetsen?” De man was verrast en zei:” Ha, jij bent de buurvrouw. Mijn ramen poetsen? Graag. Ik zal koffie zetten. We kunnen wat praten, dan leer ik je een beetje kennen.”

Een kadertje, een stoel en een krant erbij. Het wonder was dat die man heel goed met zijn werk opgeschoten was. En toen kwam de herfst en de winter en de storm. Rondom het huis van een andere man begon het te waaien en heel het huis viel in elkaar. Omdat hij niet anders kon, klopte hij aan bij de man waarover ik reeds vertelde en hij vroeg: "Meneer, mag ik bij jou binnen? Mijn huis is ingestort.” De eerste man riep: ”Wat vreselijk! Kom vlug binnen. Je bent welkom.” Maar… het waaide en stormde natuurlijk ook rond het huis van die eerste man. Het hele huis leek te trillen op zijn grondvesten. Je werd er warempel een beetje bang bij. De gast werd heel erg bang en zei: ”Kijk! Jouw huis begint ook te scheuren. Kijk maar!” Maar de andere man stelde hem gerust en zei:” Je hoeft niet bang te zijn. Waar je samen aan gewerkt hebt, is niet stuk te krijgen.”