Het verhaal van de zaaier

 

Hij gaat naar het meer.

Er komt veel volk naar Hem toe.

Hij stapt in een bootje.

Dan vertelt Hij hen:

        Een zaaier gaat uit om te zaaien.

                          (zaaier met een schaal graan, komt bij tafereel staan.)

        Een deel van het zaad viel op de weg.

        De vogels pikken het op.

        Het draagt geen vrucht.

                          (zaaier werpt zaad op de betonklinkers)

        Een deel valt op de rotsgrond.

        Het heeft niet veel goede grond.

        Het zaad groeit vlug op.

        Het ligt niet diep in de goede aarde.

        Het schiet geen wortel.

        De zon komt op.

        De warmte van de zon verbrandt het zaad.

        Het verdort.

                          (zaaier werpt zaad op de rotsen)

        Een deel valt onder de distels en het onkruid.

        De distels verstikken het plantje.

        Het sterft.

                          (zaaier werpt zaad tussen het onkruid )

        Een ander deel valt in de goede grond.

        Het zaad groeit.

        Het brengt veel vrucht voort.

                          (zaaier stopt in alle potjes een zaadje)

                          en geeft ze een beetje water)