Hij ging overal binnen.
Jezus woonde in een klein plaatsje bij zijn vader en zijn
moeder. Hij was klein, werd groot,
net als wij allemaal.
Hij leerde van zijn vader werken. Van tijd tot tijd kwamen de mensen vragen:"Help ons met
het bouwen van een huis."
"Help ons met het maken van de ploeg."
En dan hielp hij ook.
"Hij heeft grote ogen en een open hart." zeiden de
mensen.
Ze hielden van hem omdat hij zo goed kon luisteren naar
alles wat de mensen Hem te
vertellen hadden.
"Ik heb de tijd.", zei Hij. En steeds meer ging
hij van de mensen houden. Maar Jezus
had
steeds meer tijd nodig om naar hen te luisteren.
"Ik ga rondtrekken door heel het land. Ik ga luisteren naar wat de mensen te
vertellen hebben.
Want veel mensen zijn verdrietig en ze sluiten hun verdriet
op in hun hart. Want er is
niemand die zegt: "Ik heb tijd voor jou."
En Hij ging weg en trok het land door. Overal stapte Hij zomaar de huizen
binnen. Hij ging
bij de mensen aan de tafel zitten, nam het brood, brak het,
deelde het rond en zei:"Wij eten
van hetzelfde brood.
Wij wonen op dezelfde aarde. Wij
ademen dezelfde lucht. Jij bent mijn
broer. Jij bent mijn
zus. Vader van het brood, dank U
wel."
En niemand vroeg Hem:"Maar wie is die Vader van het
brood?"
Maar als hij weg was zeiden zij:"Het moet een Vader
zijn met een heel groot hart.