(Laat
de kinderen tot mij komen)
Het is een mooie avond. Jezus is zeer moe.
De apostelen zijn bij Jezus. De hele dag hebben ze Jezus gevolgd.
Samen rusten ze nu wat uit. Plots komt er een groep kinderen aan.
Enkele kinderen zijn nog zeer klein. De moeders dragen ze op de arm.
Petrus staat op en vraagt: “Wat komen jullie hier doen? Vooruit, jullie moeten
naar bed, Jezus heeft geen tijd nu.”
De kinderen schrikken en vragen: “Moeten wij nu al naar huis? We zouden toch zo graag
bij Jezus blijven.”
Vol verlangen kijken ze Jezus aan. En wat doet Hij? Hij staat op en zegt:
“Laat die kinderen toch bij Mij komen, houd ze toch niet tegen. Want de hemel is voor de mensen zoals zij.”
Al de kinderen mogen dicht bij Jezus komen. Jezus zegent ze allemaal. Hij vertelt de kinderen over zijn Vader,
die ook hun Vader is, en zoveel van de mensen houdt.