Een greep uit een presentatieviering met als thema:
“Licht zijn voor anderen”
Openingstekst: (Door een ouder en kind)
A. Zeg zou jij het licht aandoen?
Je
moet opschieten, want het is bijna tijd.
Dadelijk
begint de viering.
En
als het donker is, kunnen we niets zien.
B. Maar ik heb het licht allang
aangemaakt.
A. Waar
dan, ik zie niets.
B. Hier,
achter het altaar. Ik heb het licht aangemaakt en
achter
het altaar gezet.
Daar
is het nu heel erg licht.
A. Ja maar, daar hebben we toch niets
aan?
Je
doet het licht toch niet aan,
om het
daarna te verstoppen!
Kom,
we zetten samen het licht bovenop het altaar
dan
kan iedereen het goed zien en wordt het overal
licht.
Openingslied: SCHIJN MAAR: (van
Elly en Rikkert)
refrein: Schijn
maar schijn maar
schijn
met je lichtje in de donkere nacht 2 x
Breng de liefde waar nog haat is
schijn maar om je heen
ook de zon gaat elke morgen gratis
op voor iedereen.
refrein:
Breng de vreugde waar verdriet is
vrede in de strijd
zing een vrolijk liedje waar geen lied is
en geen vrolijkheid.
Refr. Schijn
maar schijn maar
schijn
met je lichtje in de duisternis
schijn
maar schijn maar
schijn
met je lichtje hoe klein het ook is.
Gebed
om vergeving: (Allen)
Waar kleine kinderen spelen,
Waar grote mensen zijn,
gebeuren wel eens fouten
Soms grote, soms ook klein.
Een mens kan zich vergissen
Een mens is soms gemeen
Maar wil hem toch vergeven
Een laat hem niet alleen.
Denk dan bij jezelf:
ook ik ben wel eens fout
Niet steeds met opzet,
maar soms ook echt wel stout.
Want Jezus heeft gezegd:
Doe je zelf alles goed,
zeg dan pas wat verkeerd is
in wat een ander doet.
Lezing:
Verhaal: (Door ouder en kind)
Er waren eens twee beren.
Grote Beer en Kleine Beer.
De hele dag hadden ze buiten gespeeld.
Toen de zon onder ging en het donker werd, gingen
ze naar hun
hol. Grote Beer bracht Kleine beer naar bed,
achter in het hol, waar het donker was.
“Ga maar lekker slapen,” zei Grote Beer en hij
ging op zijn gemak
in zijn stoel bij het vuur zitten lezen.
Maar slapen ging Kleine Beer niet.
Grote beer legde zijn boek neer en liep naar het
bed.
“Kun je niet slapen, Kleine Beer?” vroeg hij.
“Ik ben bang.”
“Waarvoor ben je bang, Kleine beer?”
“Het is zo donker!”
“Donker, waar dan?” vroeg Grote beer.
“Nou overal,” zei Kleine beer.
Grote beer keek om zich heen.
Ja, het was wel erg donker, daar achter in het
hol.
Grote beer haalde het kleinste lantaarntje dat hij
vinden kon en
stak het
aan.
“Kijk eens, Kleine beer, nu is het niet zo donker
meer.”
“Dank je wel,” zei Kleine Beer.
“Nu gaan slapen, hoor.”
En grote Beer ging weer bij het vuur zitten lezen.
Kleine Beer probeerde weer te gaan slapen, maar
het lukte niet.
Grote Beer geeuwde, legde zijn boek neer en liep
naar het bed.
Kun je niet slapen, Kleine Beer?”
“Ik ben bang.”
“Waarvoor ben je bang, Kleine beer?”
“Het is zo donker!”
“Donker waar dan?” vroeg grote beer.
“Nou overal,” zei Kleine Beer.
“Maar ik heb toch een lichtje voor je aangedaan?”
“Zo’n piepklein lichtje helpt niet tegen het
donker.”
Grote Beer keek om zich heen. Het was nog wel erg
donker achter
in het hol. Dus haalde
hij een grotere lantaarn.
“Nu echt gaan slapen,”
zei Grote Beer en hij ging
weer bij het vuur zitten
lezen.
En o, wat deed Kleine
beer z’n best om in slaap
te vallen. Maar het lukte
niet.
Grote beer zuchtte, legde
zijn boek neer en slofte naar het bed. Kun je niet
slapen, Kleine
Beer?”
“Ik ben bang.”
Waarvoor ben je bang, Kleine Beer?”
“Het is zo donker!”
“Donker, waar dan?” vroeg Grote beer.
“Nou overal,” zei Kleine Beer.
“Maar ik heb al twee lantaarns voor je
aangestoken.”
“Het helpt niet. Het is nog steeds donker!”
Toen stak Grote Beer de grootste lantaarn aan die
hij kon vinden
en hing hem op aan het plafond.
“Dit is de allergrootste lantaarn die ik heb,
Kleine beer.
Je hoeft nu echt niet bang meer te zijn.”
“Dank je wel,” zei Kleine beer en hij kroop
tevreden onder de
dekens.
“Nu moet je heus gaan slapen, hoor,” zei Grote
Beer en hij ging
weer terug
naar het vuur om zijn boek uit te lezen.
Maar wat Kleine Beer ook probeerde, slapen kon hij
niet.
Grote beer bromde, legde zijn boek neer en sjokte
naar het bed.
“Kun je niet slapen, Kleine Beer?”
“Ik ben bang.”
“Waarvoor ben je bang, Kleine beer?”
“Het is zo donker!”
“Maar ik heb je de grootste lantaarn gegeven die
ik vinden kon.
“Nee, hier niet,” zei Kleine beer,
maar daar wel!”
En hij wees naar buiten. Grote Beer zag dat Kleine
beer gelijk had.
Wat moest
hij nu doen?
Alle lantaarns van de hele wereld zouden het daar
buiten niet
licht
kunnen maken. Hij dacht diep na.
Na een poosje zei hij: “Kom, Kleine beer.”
“Waar gaan we naar toe?” vroeg kleine Beer.
“Naar buiten.”
“Maar buiten is het zo donker. En ik ben bang voor
het donker!”
“Je hoeft niet bang te zijn.”
Grote beer nam Kleine Beer bij de hand, en samen
gingen ze het
hol uit.
O, wat was het daar donker. “Ik ben bang!” piepte
Kleine Beer en
kroop
dicht tegen Grote beer aan.
Grote beer nam hem in zijn armen en wiegde hem
zachtjes heen
en weer.
“Kijk eens,” zei Grote beer. En Kleine beer keek.
“Kijk ik heb de maan voor je gehaald.
De maan en al die flonkerende sterren.”
Maar Kleine Beer hoorde het niet meer.
Hij was al in slaap gevallen, veilig in Grote
Beers armen.
Voorzichtig droeg grote beer hem naar binnen.
Met Kleine Beer tegen zich aan, las hij eindelijk
zijn boek helemaal
......
uit.
Evangelie: Uit Matthëus 5, 13 - 16
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Gij
zijt het zout der
aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest,
waarmee zal men
dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om
weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden.
Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet
verborgen blijven
als ze boven op een berg ligt! Men steekt toch ook
niet een
lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar
men
plaatst ze op een standaard zodat ze licht geeft
voor allen
die in huis zijn.Zo moet ook uw licht stralen voor
het oog van
de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw
vader
verheerlijken die in de hemel is.”
Geloofsbelijdenis:
Ik geloof in God,
die glimlacht naar Zijn mensen,
wanneer ze van elkaar houden.
Ik geloof in God,
die glimlacht naar Zijn mensen,
wanneer ze met elkaar delen.
Ik geloof in God,
die glimlacht naar Zijn mensen,
wanneer ze voor elkaar bezorgd zijn.
Ik geloof in een lieve God
maar ook in lieve mensen om mij heen.
Ik geloof dat ik met de hulp van God,
goed kan zijn voor iedereen
met wie ik te maken krijg.
Amen.
Communiegebed:
A. Wij
danken u, God, voor het licht hier in ons midden.
Licht
geeft warmte en gezelligheid.
Wij
bidden, dat we de warmte en de liefde door mogen
geven
aan alle mensen rondom ons.
Wij
kijken met bewondering naar U op.
U
heeft ons voorgedaan hoe wij vrienden kunnen zijn
met U
en met elkaar.
U gaf
ons ogen om elkaar te zien
en een
mond om met elkaar te spreken.
U legt
de liefde in ons hart
om
niet alleen het goede met elkaar te delen
maar
ook te zorgen en de angst als het wat moeilijk is.
Blij
danken wij hiervoor
samen
met alle mensen
die in
U geloven
en in
Jezus Uw Zoon.
V. In Uw
Geest zijn wij hier bijeen als mensen naar uw hart.
Voordat
wij samen het brood met elkaar delen, dat
gezegend
is tijdens de eucharistie viering, bidden wij
zingend
de woorden die Jezus ons gegeven heeft.
Vredewens:
Uitnodiging tot de Communie:
V. Mag ik u
uitnodigen aan de tafel van de Heer. Wij zijn Zijn
gasten.
Hij is onze gastheer. Hij is het die ons voedsel
geeft
voor onderweg.
A. Heer, ik
ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar
spreek
slechts één woord en ik zal gezond worden.
Communie:
Slotgebed/gedicht:
Elk kind dat wordt geboren
krijgt
op de levens zee
een
helder brandend lampje,
van
zijn geweten mee.
Dat is
het licht van binnen
en wie
het heeft geblust
Die
kan geen weg meer vinden
geen
blijdschap en geen rust.
Wij
hopen dat je immer
al
word je nog zo oud
In
voorspoed en in zorgen
je
lampje brandend houdt.
Slotwoord,
zegen
Ik
wens jullie vandaag een stukje hemel:
Blijf
deze dag in je dromen geloven.
Ik
wens je daarbij een zee van sterren
want
ik geloof dat die nooit zullen doven.
Ik
wens je morgen
handenvol
zonlicht
om mee
te nemen
waarheen
je ook gaat.
Maar
méér dan dit alles
wens
ik je God toe
die
voor je uitgaat
en
achter je staat.