Priester: In uw naam willen wij nu verder gaan met de viering rond de tafel
van ons allen.
Deze tafel is nu nog leeg;
geen licht van de kaarsen.
geen brood en geen wijn.
Deze tafel is voor iedereen;
voor grote en kleine mensen
samen gaan wij de tafel dekken.
Als het feest is en je gaat gezellig
samen eten,
dan dek je de tafel met een
gezellig kleed .
Willen jullie het kleed op de tafel
leggen?
( … en …
gaan samen een tafelkleed over het altaar leggen)
Kaarsen zijn een teken van warmte en
liefde.
Zullen
wij proberen warmte en liefde te geven aan alle mensen om ons heen?
Dan mogen jullie nu de kaarsen komen
brengen.
(… en … zetten de kaarsen op het altaar.)
Bij
een feest horen bloemen. Ze maken de mensen blij en vrolijk doordat ze zo
lekker ruiken en zulke mooie kleuren hebben. zullen wij ook proberen de mensen
blij te maken?
Willen jullie de bloemen op tafel
zetten?
(… en … zetten een vaasje met bloemen op het
altaar.)
Brood en wijn is het voedsel dat Jezus
ons gegeven heeft.
Hij deelde dit met alle mensen.
Zullen wij ook proberen met andere
mensen te delen?
Dan geven jullie nu het brood en de
wijn aan.
(… en … brengen het brood en de wijn en
zetten het op het altaar.)