Pr: vandaag
vieren wij samen feest. We hebben er
samen lang aan gewerkt. Maar niet
altijd denken wij aan mekaar of
willen we samenwerken… en dan gaat het
er zo aan
toe …
V: In het park
stond een bank met een mooie boom achter.
Heet werd lente en hij stak
zijn takken hoog in de
lucht. Hij kreeg alweer groene
blaadjes. O, wat was die boom
blij.
Boom: Heerlijk,
heerlijk, dat het weer lente is. Nu
kunnen de kinderen weer onder mijn
takken op de bank komen zitten.
V: En ja hoor,
daar kwam al een kind aan en zette zich neer op de bank, en nog één kind
en dan weer één. Het werden er een heleboel. Ze waren niet lief voor elkaar. Neen,
ze maakten ruzie want ze wilden
allemaal op de beste plaats zitten.
K1: Ga weg, ik zat
hier. Ga weg.
K2: Dat dacht je
maar. Dit is mijn plaats.
K3: Wat zeg
je? Ik zit hier, deze bank is van mij.
K4: Ik ben hier de
baas. Ik ben groot en sterk. Deze bank
is alleen voor mij.
V: De boom was
erg verdrietig. Neen, dat wilde hij
niet! Zo een lawaai onder zijn
takken. Toen kwam er een kind aan gehuppeld. Het hoorde het lawaai op de bank.
Dat mocht toch niet! Het kind ging naar de kinderen en zei heel
kalm:
K5: Luister goed,
de bank is van iedereen. Als we nu
elkaar helpen en een beetje
opschuiven, dan kunnen we rustig
op de bank zitten.
V: En de boom
zei:"Ja"
En de kinderen
zeiden:"Ja!"
En toen er weer vrede onder de
boom was, maakten alle kinderen één grote vlag
waarop stond: WEES LIEF VOOR ELKAAR!