Van het vogeltje dat te ver
vloog.
In een nestje tussen de klimop zat een heel
klein vogeltje. De hele dag vlogen vader en moeder af en aan om eten te
brengen: vliegjes en wormpjes. zo kon het vogeltje gauw groot worden.
Toen het zijn vleugels goed op en neer kon
bewegen, gaf zijn moeder hem zijn eerste vliegles.
“Ga op de rand van het nest zitten”, zei ze.
“Koppie op en klapper met je vleugels! Dan moet je opspringen, de lucht in, en
proberen naar die muur te vliegen! Dat is genoeg voor de eerste keer.”
Het vogeltje ging op de rand van het nest
zitten. Het hield zijn kopje op, fladderde met zijn vleugels en sprong de lucht
in.
Wat gek! Hij viel niet. Dat vliegen ging best
goed. “Ik kan nog wel verder vliegen
dan die muur.” dacht het vogeltje. “Ik kan over die hele akker heen vliegen. En
.. Over die daar .... En over de rivier! .. Nu kan ik de hele wereld bekijken
.” En vlugger en vlugger bewoog het zijn vleugels, Vliegen was heerlijk! Maar na een tijdje begonnen de vleugels van
het vogeltje pijn te doen. Het moest een plekje vinden om uit te rusten. Maar
waar? In een nest natuurlijk!
Daar zag hij een nest boven in een boom. Een
groot nest, dat gemaakt was van takjes, Het zag er erg slordig uit. Op het nest
zat een grote zwarte kraai. “Mag ik bij je komen zitten om uit te rusten?”, vroeg
het vogeltje. “Kun je krassen: Kra, kra, kra?” , vroeg de zwarte kraai.
“Nee, ik kan alleen tjilpen. tjiep! Tjiep!
Tjiep!”
“Dan mag je er niet in ...... bij mij hoor je
niet!”
Het vogeltje vloog verder en al gauw zag het
weer een nest. Boven in een struik. Het vogeltje was zo moe, dat het zijn
vleugeltjes nog maar net op en neer kon bewegen. Er zat en houtduif met mooie
zachte veren. “Mag ik bij je komen zitten om uit te rusten?”, vroeg het
vogeltje. “Kun je koeren: roekoe, roekoe, roekoe?”, vroeg de grijze houtduif.
“Nee, ik kan alleen tjilpen. tjiep! Tjiep!
Tjiep!”
“Dan mag je er niet in .... bij mij hoor je
niet!.
Het vogeltje vloog verder. Het was nu črg
moe. Gelukkig zag het een grote boom met een gat erin. Daar zou hij vast in
kunnen kruipen om uit te rusten. Het vogeltje keek naar binnen. In het gat
woonde een bruine uil met een kromme snavel.
“Mag ik bij je komen zitten om uit te
rusten?”, vroeg het vogeltje.
“Kun je oehoe, oehoe, oehoe roepen?” vroeg
hij.
“Nee, ik kan alleen tjilpen. tjiep! Tjiep!
Tjiep!”
“Dan mag je er niet in .... bij mij hoor je
niet!.
Langzaam vloog het vogeltje verder tot aan de
oever van de rivier. Daar zag hij een nest . Dat nest was gemaakt van biezen en
riet en lag vlak aan het water. Het was groot en leek een heerlijke plaats om
uit te rusten. Het vogeltje hupte er naar toe. Een wilde eend met een brede
gele snavel zat op het nest.
“Mag ik bij je komen zitten om uit te
rusten?”, vroeg het vogeltje.
“Kun je snateren: kwaak , kwaak, kwaak?”
vroeg de wilde eend.
“Nee, ik kan alleen tjilpen. tjiep! Tjiep!
Tjiep!”
“Dan mg je er niet in ...... bij mij hoor je
niet!”
Het vogeltje was zo moe, dat het niet meer
kon vliegen.
Het begon al donker te worden. Vlakbij zag
het een grote vogel rond hippen.
“Hoor ik soms bij jou?” vroeg het
doodvermoeide vogeltje.
Ik kan alleen maar tjilpen, tjiep, tjiep,
tjiep!”
“Natuurlijk hoor je bij mij”, zei de grote
vogel. “Ik ben je moeder en ik heb de hele dag naar je gezocht. Ga maar gauw op
m’n rug zitten. dan vlieg ik je naar huis.”
Het vogeltje vond het heerlijk om op de rug
van zijn moeder te kruipen. Hoog over de bomen bracht zij hem terug naar het
nestje tussen de klimopbladeren. daar kroop het vogeltje onder de warme
vleugels van zijn moeder. En was meteen vast in slaap.