Zakje met de zonnebloempit
Verteller: In een papieren zak lagen eens heel
wat zaadjes. Ze hadden het
heel gezellig samen. Vooral één zaadje kon je altijd horen. Het was een
zonnebloempitje. Een echte vraagstaart.
Het pitje: Hee, buurman, wie haalt ons hier uit de zak?
Zaadje 1: De tuinman! Hij stopt ons onder de grond.
Het pitje: Vreselijk, dan gaan we dood!
Zaadje 2: Welnee, je moet eigenlijk jezelf wegschenken. Uit je
buikje komen
dan een worteltje en een stengeltje gekropen.die worden dan elke dag groter
en groter.
Het worteltje gaat alsmaar dieper in de grond en het stengeltje groeit naar
boven toe, naar het licht.
Zaadje 3: En de dag waarop je boven de grond komt piepen, ben je
een jong
plantje geworden.
Verteller: Het pitje wou nog wat vragen, maar dat ging niet meer,
want
plotseling lag het in de grote hand van de tuinman. Hop, daar viel het al in
de aarde.Alles werd donker.
Het pitje: O, o, nu zit ik hier in de donkere grond.
Verteller: Het lag er zomaar, zonder zich te verroeren, héél
stil, héél
alleen. Na een tijdje voelde het pitje iets kietelen in zijn buikje. Plof,
daar schoot het stengeltje boven de grond uit. Het pitje was een jong
plantje geworden en toen het de zon en de wolken en de lucht zag, vond het
dat alles zo mooi, dat het wel had durven dansen en zingen en springen als
het dat had gekund.
Het jonge plantje deed zijn best om heel vlug groot te worden, en het keerde
zich altijd naar de zon.
Op zekere dag riep er een kindje:
Kijk!!!!!!!!!!!! Een zonnebloem!!!!!!! Wat een mooie!
Verteller: De zonnebloem plooide nu haar hele hart open naar de
zon. Zij
lachte naar de zon en de zon lachte terug om haar te bedanken. Nog nooit was
de zonnebloem zo gelukkig geweest.